Rechtbank Den Haag 2025-03-31 — Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Instantie en datum — Rechtbank Den Haag (meervoudige kamer), 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, zaaknummer SGR 24/8432, eerste aanleg. Kernvraag — Welke beslistermijn moet de rechtbank aan het UWV opleggen bij beroep wegens niet-tijdig beslissen op een herbeoordelingsverzoek WIA, wanneer een medisch advies van een verzekeringsarts is vereist, en maakt het daarbij verschil of het beroep is ingesteld door een werkgever of door een particulier? Feiten — De (ex-)werknemer van eiseres ontvangt een WIA-uitkering. Op 10 mei 2024 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling. Het UWV heeft niet tijdig beslist; eiseres heeft het UWV op 25 juli 2024 in gebreke gesteld. Op 24 september 2024 heeft het UWV een dwangsombeslissing genomen en aan eiseres een bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- toegekend. Op 24 oktober 2024 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit. Ten tijde van de zitting stond een spreekuur bij de verzekeringsarts gepland op 25 maart 2025. Overwegingen — Het beroep is gegrond: de beslistermijn is overschreden, eiseres heeft het UWV tijdig in gebreke gesteld en er is niet gebleken dat alsnog een besluit is genomen (r.o. 2). Nu het UWV reeds een dwangsombeslissing heeft genomen, hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen (r.o. 3). De rechtbank oordeelt dat in zaken waarin een medisch advies van een verzekeringsarts noodzakelijk is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in art. 8:55d lid 3 A…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken