Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2021-01-21 — Bestuursrecht; Belastingrecht
Instantie en datum — Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 januari 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:264, zaaknummers BRE 12/29, 12/30 en 12/152 t/m 12/154, eerste aanleg meervoudig. Kernvraag — Heeft een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds recht op teruggaaf van in Nederland ingehouden dividendbelasting, en zo ja, op welke wijze dient rechtsherstel te worden geboden, mede in het licht van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674)? Feiten — Belanghebbende is een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds dat Nederlandse dividenden ontvangt waarop dividendbelasting is ingehouden. In eerdere beslissingen heeft de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de teruggaafaanspraak. Niet langer in geschil is dat het onthouden van teruggaaf op de grond dat belanghebbende niet inhoudingsplichtig is voor Nederlandse dividendbelasting, een ongerechtvaardigde beperking van het vrije kapitaalverkeer oplevert. De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing van 23 oktober 2020 geoordeeld dat rechtsherstel kan worden geboden door teruggaaf onder aftrek van een zogenoemde "vervangende betaling", berekend over de gehele voor uitdeling beschikbare winst (wereldwinst). Belanghebbende weigert in te stemmen met de vervangende betaling en heeft evenmin een berekening daarvan overgelegd, in afwachting van een prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie van de EU. Overwegingen — De rechtbank structureert haar beoordeling langs drie lijnen: d…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken