Raad van State 2018-03-14 — Bestuursrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak), 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738, zaaknummer 201701996/1/A3, hoger beroep. Kernvraag — Mag de burgemeester bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs in een woning op grond van art. 13b lid 1 Opiumwet in beginsel – behoudens tegenbewijs – aannemen dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking? En welke evenredigheidsafweging dient hij daarbij te maken? Feiten — Op 17 december 2015 trof de politie in de door appellant bewoonde huurwoning 6,74 g cocaïne aan, alsmede honderden gebruikte en ongebruikte gripzakjes. Appellant verklaarde tegenover de politie dat hij cocaïne kreeg van iemand en die wel eens uitdeelde; een medebewoonster verklaarde dat zij cocaïne van hem had gekregen en dat hij vaker drugs verkocht aan bewoners van het complex. De burgemeester gelastte sluiting van de woning voor drie maanden op grond van art. 13b lid 1 Opiumwet. De verhuurder ontbond naar aanleiding daarvan de huurovereenkomst zonder rechterlijke tussenkomst (art. 7:231 lid 2 BW). De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep ongegrond, maar formuleerde daartoe een van de bestaande jurisprudentie afwijkende bewijslijn. Overwegingen — De Afdeling stelt voorop dat art. 13b lid 1 Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing is bij de enkele aanwezigheid van drugs; de woorden "daartoe aanwezig" vereisen dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking (r.o. 7.1). Kernoverweging: >…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken