ECLI:NL:RVS:2016:2840

Raad van State 2016-10-26 — Bestuursrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak), 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, zaaknummer 201507715/1/A3, hoger beroep. Kernvraag — Kan de burgemeester bij toepassing van art. 4:84 Awb omstandigheden die (geacht worden te zijn) verdisconteerd in een beleidsregel bij voorbaat buiten beschouwing laten? En hebben de omstandigheden van dit geval tot gevolg dat de burgemeester van zijn sluitingsbevoegdheid ex art. 13b Opiumwet had moeten afzien? Feiten — Op 2 december 2014 trof de politie bij een doorzoeking in de schuur bij de woning van [wederpartij] in totaal 721 XTC-pillen aan. Vast staat dat de ex-partner van [wederpartij] — die niet in de woning woonde maar er die nacht wel verbleef — de pillen had verstopt; [wederpartij] was hiervan niet op de hoogte. De burgemeester gelastte sluiting van de woning voor drie maanden op grond van art. 13b Opiumwet. [wederpartij] woont in de woning met haar drie jonge kinderen. De ex-partner verblijft sedert de vondst in detentie en [wederpartij] heeft de relatie met hem verbroken. De rechtbank vernietigde het besluit op bezwaar, herriep het primaire besluit en verving dit door een bestuurlijke waarschuwing. Overwegingen — In r.o. 3.1 verduidelijkt de Afdeling dat een stuk dat uitsluitend wijst op de gevolgen van een mogelijke gegrondverklaring van het hoger beroep, en geen gronden bevat gericht tegen de rechtbankuitspraak, niet als incidenteel hoger beroepschrift in de zin van art. 8:110 lid 1 Awb kan worden aan…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken