Raad van State 2022-01-19 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:93, zaaknummer 202005668/1/V2, hoger beroep. Kernvraag — Hoe moet de geloofwaardigheid van atheïsme als asielmotief worden onderzocht en beoordeeld, en wat zijn de risico's voor afvalligen en atheïsten bij terugkeer naar Iran? Tevens aan de orde: of en in hoeverre onderscheid moet worden gemaakt tussen afvalligheid en atheïsme als asielmotieven. Feiten — De vreemdeling is afkomstig uit Iran en heeft asielaangevraagd op de gronden dat hij afvallig is van de islam, atheïst is geworden, stakingen heeft georganiseerd en dat de Iraanse autoriteiten een inval in zijn woning hebben gedaan waarbij materiaal over atheïsme is meegenomen. De staatssecretaris heeft de afvalligheid en het deelnemen aan stakingen geloofwaardig geacht, maar niet het atheïsme, het organiseren van stakingen, de inval en de bekendheid van de autoriteiten met zijn afvalligheid. De asielaanvraag is afgewezen; de rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft de UNHCR als deelnemer in de procedure betrokken en voorafgaand aan de zitting schriftelijke vragen gesteld aan partijen en de UNHCR over de definitie van atheïsme, de onderzoeksmethode en de risico's in Iran. De uitspraak heeft zaaksoverstijgende strekking en is gelijktijdig behandeld met ECLI:NL:RVS:2022:94. Overwegingen — Tussen partijen is niet in geschil dat atheïsme valt onder de vervolgingsgrond "godsdienstige overtuiging" in…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken