Raad van State 2022-01-19 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, zaaknummer 202102293/1/V2, hoger beroep. Kernvraag — Hoe moet de staatssecretaris de geloofwaardigheid van afvalligheid als zelfstandig asielmotief onderzoeken en beoordelen, en in hoeverre wordt een afvallige beschermd door het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn? Feiten — Een Iraanse vreemdeling heeft een asielaanvraag ingediend op grond van gestelde afvalligheid van de islam en een latere bekering tot het christendom. De staatssecretaris heeft de afvalligheid en bekering ongeloofwaardig geacht, maar wel geloofwaardig geacht dat zij "wat afstand heeft genomen van de islam" en een aantal keer door de autoriteiten is opgepakt. De aanvraag is afgewezen omdat dit onvoldoende zwaarwegend werd geacht voor vergunningverlening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Afdeling heeft de UNHCR in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de procedure en heeft partijen voorafgaand aan de zitting vragen gesteld. Overwegingen — De Afdeling stelt voorop dat de uitspraak zaaksoverstijgende strekking heeft vanuit het oogpunt van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming (r.o. 2.4). Afvalligheid als beschermde overtuiging (r.o. 10-12.2) Afvalligheid is aan te merken als een "geloofsovertuiging" in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag en artikel 10 van de Kwalificatierichtlijn. De bescherming op grond van de vervolgingsgrond godsdienst…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken