ECLI:NL:RVS:2024:1188

Raad van State 2024-03-27 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, zaaknummer 202207185/1/V1, hoger beroep. Kernvraag — Wanneer bestaat er tussen meerderjarige familieleden buiten het kerngezin familieleven in de zin van artikel 8 lid 1 EVRM, en moet de staatssecretaris bij afwezigheid van 'bijkomende elementen van afhankelijkheid' toch een volledige belangenafweging maken? Feiten — Een 61-jarige Syrische vrouw heeft via haar twee meerderjarige zoons — die in 2015 een asielvergunning kregen en inmiddels de Nederlandse nationaliteit bezitten — een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend op grond van artikel 8 EVRM. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De echtgenoot van de vreemdeling is in 2007 overleden; zij woonde vanaf 2012 afwisselend bij elk van haar zoons en is sedertdien financieel afhankelijk van hen. Een van de zoons is door het Syrische regime gemarteld; de vreemdeling onderging in 2013 een ingrijpende operatie. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep gegrond, oordeelde dat bijkomende elementen van afhankelijkheid aanwezig waren, maakte zelf de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling en droeg de staatssecretaris op een mvv te verlenen. De staatssecretaris stelde hoger beroep in. Overwegingen — De Afdeling gebruikt deze uitspraak om haar eerdere koerswijziging van 13 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2006) te herzien…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken