Raad van State 2024-10-09 — Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Instantie en datum — Raad van State (Afdeling Bestuursrechtspraak), 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, zaaknummer 202404639/1/V3, hoger beroep. Kernvraag — Mag de minister bij de toepassing van de Dublinverordening voor Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en loopt een Syrische vreemdeling bij overdracht aan Kroatië een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM, in het bijzonder vanwege pushbacks en gebrek aan opvang? Feiten — De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de Syrische vreemdeling niet in behandeling genomen wegens de verantwoordelijkheid van Kroatië op grond van de Dublinverordening. De vreemdeling vreest na overdracht slachtoffer te worden van een pushback vanuit Kroatië naar een derde land zonder toegang tot de Kroatische asielprocedure, en vreest geen toegang te zullen hebben tot opvang. De rechtbank heeft het besluit vernietigd omdat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat hij voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan. De overdrachtstermijn is hangende het hoger beroep verstreken op 19 augustus 2024, waarna de minister de asielaanvraag alsnog in behandeling heeft genomen. Overwegingen — De Afdeling stelt voorop dat de minister ondanks het verstrijken van de overdrachtstermijn belang heeft bij het hoger beroep wegens de precedentwerking die van de vernietiging door de rechtbank kan uitgaan (r.o. 3.1, onder verwijzing naar ABRvS 6 mei 2015…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken