ECLI:NL:HR:2011:BQ0415

Hoge Raad 2011-04-08 — Bestuursrecht; Belastingrecht

Samenvatting

Instantie en datum — Hoge Raad, 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415, zaaknummer 10/00652, cassatie. Kernvraag — Mocht het hof bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding wegens bijzondere omstandigheden als bedoeld in art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) afwijken van de forfaitaire regeling, gelet op het grote aantal samenhangende procedures in het kader van het Rekeningenproject? Feiten — Aan belanghebbende zijn over de jaren 1990–2000 navorderingsaanslagen IB/PVV en vermogensbelasting opgelegd, met verhogingen, boetes en heffingsrente, in het kader van het zogenoemde Rekeningenproject. De gemachtigde verleende rechtsbijstand in 57 vergelijkbare zaken bij het hof; een tweede advocaat behandelde 10 vergelijkbare zaken. Beide gemachtigden werkten nauw samen: zij dienden processtukken nagenoeg uniform in enkelvoud in voor alle of groepen van zaken, de zaken werden gelijktijdig of aansluitend behandeld, en getuigenverhoren vonden plaats ten behoeve van alle 67 zaken gezamenlijk. Oordeel hof — Het hof verklaarde het beroep gegrond en kende een proceskostenvergoeding toe van € 505,-, daarbij afwijkend van de forfaitaire regeling op grond van bijzondere omstandigheden (art. 2 lid 3 Bpb). Het hof oordeelde dat gelet op het grote aantal procedures en de uniforme wijze van behandeling een lagere, uniforme vergoeding gerechtvaardigd was voor alle 67 zaken. Overwegingen — Het hof heeft in r.o. 3.3.3 onder meer gewezen op de vergelijkbare omvang van de werkzaamhe…

Gerelateerde uitspraken

Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken