Hoge Raad 2016-07-05 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad, 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, zaaknummer S 14/06394, cassatie. Kernvraag — Of de bewezenverklaring van medeplegen van diefstal toereikend is gemotiveerd wanneer de verdachte kort na de diefstal wordt aangetroffen als inzittende van het vluchtvoertuig met de buit in de kofferbak, maar stelt pas na de diefstal te zijn ingestapt. Feiten — Op 31 mei 2013 werd bij een bedrijfspand in Amsterdam ingebroken waarbij twaalf laptops werden gestolen. Een ooggetuige zag drie à vier negroïde mannen in een zwarte Audi A3 wegrijden. Verbalisanten onderschepten dit voertuig; de inzittenden, onder wie de verdachte, sprongen er rijdend uit en vluchtten. In de kofferbak werden de twaalf gestolen laptops aangetroffen. De verdachte stelde dat hij toevallig en pas ná de diefstal door een kennis was meegenomen als lift naar Uithoorn. Het hof achtte deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig en legde haar terzijde. Oordeel hof — Het hof verwierp het verweer van de verdachte dat hij niets van de inbraak wist en pas achteraf was ingestapt, en achtte op grond van de overige bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met drie anderen de diefstal had gepleegd. Het hof veroordeelde de verdachte voor gekwalificeerde diefstal met medeplegen. Overwegingen — De Hoge Raad plaatst de beoordeling in de sleutel van zijn eerdere arresten over medeplegen (HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716): vereist is een nauwe…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken