Hoge Raad 2016-07-05 — Strafrecht
Instantie en datum — Hoge Raad der Nederlanden, 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320, zaaknummer 15/02625, cassatie. Kernvraag — Of het bewijs toereikend is voor het bestanddeel "in vereniging" van art. 141 Sr, en meer in het bijzonder of de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is om van nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken. Feiten — Op 7 april 2013 werd het slachtoffer in Dordrecht buiten een portiek door een groep van circa vier personen op de grond getrapt, waarbij meermalen met kracht met geschoeide voet op het hoofd werd gestampt. De verdachte behoorde tot de groep; hij erkende aanwezig te zijn geweest en betwistte dat hijzelf had gehandeld. Een verbalisant herkende de verdachte als één van de personen om het slachtoffer heen. Een getuige ([betrokkene 1]) verklaarde dat de verdachte tussen de benen van het slachtoffer stond en vanuit die positie op het slachtoffer aan het intrappen was. Het hof sprak de verdachte vrij van poging doodslag en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, en veroordeelde hem voor openlijke geweldpleging in vereniging (art. 141 Sr) tot negen maanden jeugddetentie. Oordeel hof — Het hof oordeelde dat niet kon worden vastgesteld welke specifieke geweldshandeling aan de verdachte afzonderlijk was toe te rekenen, zodat vrijspraak volgde voor de primaire en subsidiaire tenlastelegging. Ten aanzien van art. 141 Sr achtte het hof bewezen dat de verdachte deelnam aan het openlijk in vereniging gepleegde geweld, met name op grond v…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken