Centrale Raad van Beroep 2020-04-08 — Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Instantie en datum — Centrale Raad van Beroep, 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887, zaaknummers 18/2533 WMO15 en 18/2534 WMO15, hoger beroep. Kernvraag — Had appellante voldoende procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten over maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015, en was er aanleiding de zaak aan te houden op verzoek van de kort voor de zitting ingeschakelde nieuwe gemachtigde? Feiten — Het college verstrekte appellante op grond van de Wmo 2015 maatwerkvoorzieningen voor hulp bij het huishouden (4 uur per week in natura) en kortdurende specialistische begeleiding voor opeenvolgende periodes in 2015 en 2016. Appellante maakte bezwaar omdat zij meer ondersteuning nodig achtte; het college verklaarde die bezwaren ongegrond respectievelijk niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank volgde dat standpunt. In hoger beroep schakelde appellante kort voor de zitting een nieuwe gemachtigde in; ter zitting bereikten partijen overeenstemming over een nieuwe maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden en specialistische begeleiding voor drie jaar in de toekomst. Overwegingen — De Raad wijst het aanhoudingsverzoek af (r.o. 4.1). De zittingsdatum was op 1 december 2019 aangekondigd, zodat appellante ruim de tijd had om tijdig rechtsbijstand te zoeken. De bewering van de nieuwe gemachtigde dat de griffie geen kopie van het dossier kon sturen, is onjuist gebleken: de griffie had hem op 20 februari 2020 meegedeeld dat een kopie…
Belangrijke uitspraken en standaardarresten · Nederlandse rechtspraak doorzoeken